Het KNMI rommelt met historische temperatuurmetingen, of valt het wel mee?

De klimaatdiscussie wordt zo op het oog steeds onfrisser. Onlangs bleek dat het KNMI zijn meetgegevens van voor 1950 naar beneden heeft bijgesteld. Daardoor lijkt het net of de opwarming van Nederland sneller gaat dan vroeger.

Natuurlijk heeft het KNMI goede redenen om dit te doen: rond 1950 is een ander meetstation in gebruik genomen en het meetstation is een paar honderd meter verplaatst. Maar om dan meetdata tot 1,9 graad Celsius naar beneden aan te passen en ondertussen blijven beweren dat je gegevens tot op 0,1 graad nauwkeurig zijn laat dan op zijn minst de wenkbrauwen omhoog gaan.

Hittegolven komen niet zoveel voor in Nederland, dus ze worden vaak gebruikt om klimaatveranderingen aan te geven. Een hittegolf is volgens het KNMI: “In Nederland is een hittegolf een opeenvolging van in De Bilt minimaal 5 zomerse dagen (maximumtemperatuur 25,0 °C of hoger), waarvan er minimaal drie tropische dagen (maximumtemperatuur 30,0 °C of hoger) zijn.”

Laat nou door door die aangepaste meetdata het aantal hittegolven tussen 1901 en 1950 van 20 naar 6 te gaan. Tussen 1950 en 2018 hebben we 22 hittegolven overleefd. Waar voor 1950 ongeveer evenveel hittegolven te bespeuren waren als na 1950, lijkt het net of er nu meer hittegolven zijn.

In onderstaand grafiekje kun je zien hoeveel hittegolven we gehad hebben sinds 1901. Als het op een recht lijntje lijkt dan is er niks aan de hand. Als het op een hockeystickje lijkt dan zijn we aan het opwarmen.

Grafiek: Hittegolven in Nederland sinds 1901. Blauw met oorspronkelijke meetgegevens, rood met aangepaste temperatuurmeetgegevens.

De hierboven vermelde gegevens komen uit het rapport over “het raadsel van de verdwenen hittegolven” op https://klimaatgek.nl/document/De%20homogenisatie%20van%20De%20Bilt%20def.pdf

Welke meetreeks van het KNMI is nu beter: de oude of de herberekende nieuwe? Wat is er echt aan de hand?

Gelukkig heeft DSEnieuws zijn eigen Weerman Gerrit, en die geeft hier een genuanceerd en deskundig antwoord op:

Gerrit heeft zich een aantal jaren geleden bezig gehouden met historische meetreeksen uit de 18e eeuw. Hij weet dus hoe moeilijk het is om deze reeksen om te bouwen tot betrouwbare cijfers. Het KNMI heeft dat ook gedaan en heeft uit archieven ongeveer 100 reeksen gevonden met meetgegevens vanaf het jaar 1701. Uit die 100 reeksen zijn slechts 16 reeksen gekomen waaruit iets betrouwbaars is te maken. Toch zijn deze reeksen tot op de dag van vandaag niet echt bruikbaar voor goede klimaatoverzichten.

Vanaf 1901 zijn er wel redelijk goede meetreeksen. Die zijn op vijf Nederlandse meetstations gemaakt onder verantwoordelijkheid van het KNMI.

Eindhoven zit daar niet bij. Hier is men pas gaan meten (zeer beperkt)vanaf 1 januari 1951.

Een van de problemen van het KNMI is dat er gemeten is op verschillende tijdstippen. Omdat het belangrijk is om per dag de gemiddelde en de hoogste en laagste temperatuur te weten, is dat heel moeilijk om dat uit deze meetreeksen te halen. De laatste jaren is het pas mogelijk om uit deze summiere gegevens een dag gemiddelde en een hoogste en laagste waarde te berekenen. Dat doet het KNMI met computers met grote rekenkracht en gevoed met zeer veel gegevens. De statistische methoden die hierbij gebruikt zijn geven beslist geen 100% betrouwbaarheid en dus zijn de meetreeksen tot ongeveer 1951 nooit echt 100% betrouwbaar.

De discussie gaat nu over het aantal hittegolven uit deze “onbetrouwbare” periode 1901-1951. Iedereen weet dat deze cijfers niet 100% betrouwbaar zijn en men heeft ze dan ook al meerdere malen herberekend en indien nodig aangepast.  Voor het bepalen van een hittegolf heb je o.a. de hoogste dagtemperatuur nodig. In deze periode (1901-1951) zijn echter deze maxima niet gemeten maar berekend met een bepaalde onnauwkeurigheid.

Zodra er nieuwe inzichten zijn en/of rekenmethodes zijn die tot betere resultaten leiden doet het KNMI aanpassingen en correcties aan deze reeksen. Dat is al een paar keer gebeurd en Gerrit heeft daar ook veel last van gehad bij het opbouwen van zijn database.

De situatie is nu zo dat op alle 35 hoofd-meetstations de gemiddelde temperatuur aan het oplopen is. De metingen op deze stations gebeuren continu en dus is in de metingen na 1951 altijd de hoogste waarde aanwezig. Het aantal hittegolven is daardoor zeer betrouwbaar uit te rekenen.

Iedereen ziet nu dat er iets vreemds is als je de cijfers van voor 1951 en na 1951 met elkaar vergelijkt. De gemiddelde temperaturen zijn na 1951 hoger en bovendien oplopend dan van voor 1951. Daardoor is het aantal hittegolven van voor 1951 veel te hoog uitgekomen  ten opzichte van de betrouwbare periode na 1951.

Conclusie: de cijfers 1901-1951 zijn nog steeds niet goed genoeg en zullen weer herrekend moeten worden. Precies dat heeft het KNMI vorig jaar gedaan en inderdaad bleken de maximum temperaturen veel te hoog te zijn en men heeft ze met gemiddeld 1,9 graad aangepast. Hierdoor vielen een aantal warme periodes net niet meer onder de voorwaarde voor een hittegolf. Het aantal hittegolven van voor 1951 lijkt nu ook veel beter overeen te komen met de werkelijkheid.

Gerrit gebruikt dus ook voor het weerrapport van DSEnieuws de nieuwe lijsten met hittegolven omdat die beter de waarheid benaderen dan de oudere lijsten.

Conclusie: Ja, het hockeystickje door de rode grafiek klopt beter bij de werkelijkheid dan de rechte lijn door de blauwe grafiek.

2 comments

  • Gerrit Goosen

    Duidelijk verhaal.
    Het aantal hittegolven volgens de KNMI definitie is van voor 1-1-1951 onduidelijk en ook aan veranderingen onderhevig.
    Dat verbaast me niets want het is uiterst moeilijk om uit de periode 1901-1951 goede cijfers te krijgen. Men heeft uiteraard te maken met verschillende meetmethoden,verplaatsing van meetlocaties en niet in de laatste plaats verschillende tijdstippen waarop gemeten is. Ik begrijp en geloof dat het KNMI alle moeite doet om in hun publicaties zo goed mogelijke cijfers te vermelden. Ze hebben de beschikking over de juiste computers en vele wetenschappers op het gebied van statistiek I.T. en klimaat. Dus beter kan niet.
    Wat ik niet begrijp is dat het KNMI altijd en overal refereert aan het meetstation “De Bilt”. De Bilt ligt wel in het midden van het land maar is vlg. mij niet representatief voor bv. onze regio Eindhoven.
    Het lijkt mij veel beter om als referentie het gemiddelde van een aantal meetstations te nemen die verspreid over het land staan. Het KNMI hanteert voor sommige zaken het begrip “Midden Nederland temperatuur” Deze MNT is het gemiddelde van een aantal meetstations uit het midden van het land.. Het midden is hier een rekbaar begrip want ik geloof dat zelfs Eindhoven (meetstation 370) er in zit. Toch lijkt mij dat dit al een betere referentie is dan uitsluitend De Bilt. Ik heb deze vraag al wel eens voorgelegd aan een van de meteorologen van het KNMI. Het antwoord was “dat hebben wij zo afgesproken”.! Tja!!
    Om terug te komen op de hittegolven, in onze regio (Eindhoven) heb ik in de periode 1949-2018 32 hittegolven geteld. Ook hier blijkt dus weer uit dat wij in onze regio weinig of niets hebben aan de officiele KNMI-cijfers.
    gerrit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *